Opnieuw Kamervragen over 52 koopzondagen Zoetermeer
Geplaatst op: 04-07-2011
Den haag - Kamerleden stellen vervolgvragen aan minister Verhagen over raadsbesluit 52 koopzondagen Zoetermeer.
De Tweede Kamerleden Schouten (ChristenUnie), Dijkgraaf (SGP) en Gesthuizen (SP) hebben op 29 juni jl. minister Maxime Verhagen van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (CDA) vervolgvragen gesteld over het raadsbesluit van de gemeente Zoetermeer om 52 koopzondagen toe te staan.
De vervolgvragen zijn opgesteld in overleg met mr. Rudolf van Binsbergen, advocaat van de Stichting Tegen Verruiming Zondagopenstelling.
De fracties van CDA, ChristenUnie/SGP en SP in de gemeenteraad van Zoetermeer hadden eerder met grote teleurstelling kennis genomen van het antwoord van de minister op eerdere vragen van genoemde Tweede Kamerleden.
Deze fracties hadden de minister, evenals de Stichting Tegen Verruiming met klem verzocht het Zoetermeerse raadsbesluit ter vernietiging voor te dragen aan de kroon vanwege misbruik van de toerismebepaling in de nieuwe Winkeltijdenwet. Uit het antwoord van de minister bleek dat hij geen streep wil halen door de 52 koopzondagen in Zoetermeer.
De Kamerleden van de ChristenUnie, SGP en SP laten het er vanwege het onbevredigende antwoord op een eerste reeks vragen niet bij zitten door nu vervolgvragen te stellen aan de minister.
Wegvloeien koopkracht
De Kamerleden vragen minister Verhagen nu of hij het eens is met hun mening dat het wegvloeien van koopkracht naar nabijgelegen gemeenten geen zelfstandig argument of aanleiding mag zijn om de toerismebepaling te benutten.
Tevens willen wij zij weten of de minister hun opvatting deelt dat het vooral benadrukken van de economische aantrekkingskracht van een winkelcentrum elders (zoals Zoetermeer heeft gedaan, redactie) een belangrijke aanwijzing is dat niet de ondersteuning van bestaand substantieel, autonoom toerisme, maar een vooral economische argumentatie de hoofdreden is om gebruik te maken van de toerismebepaling.
Overige vragen aan de minister
- Bent u van mening dat uw bevestiging dat toerisme en aantrekkingskracht strikt moeten worden geïnterpreteerd, ook op Zoetermeer van toepassing is? Kunt u nader onderbouwen waarom Zoetermeer zich op het gebied van toerisme ‘in betekenende mate onderscheidt van andere gemeenten', zoals het College van Beroep voor het Bedrijfsleven (CBb) in diverse uitspraken als maatstaf heeft gegeven?
- Bent u met ons van mening dat het CBb die strikte interpretatie uitdrukkelijk baseert op het uitgangspunt van de wet dat winkels op zondag in principe gesloten zijn en stelt dat ‘aangezien bij een andere benadering het verbod tot zondagsopenstelling zoals vervat in artikel 2, eerste lid, van de Wet, feitelijk illusoir zou worden gemaakt'? Kunt u aangeven op welke wijze de door de gemeente Zoetermeer gekozen benadering het verbod tot zondagsopenstelling niet feitelijk illusoir maakt?
- Bent u met ons van mening dat het op grond van wet en jurisprudentie niet voldoende is als vastgesteld wordt dat (een deel van) de bevolking van een gemeente tegen winkelopenstelling op zondag is, maar dat het eveneens vereist is dat een gemeente bij het gebruik maken van de toerismebepaling een zo beperkt mogelijke inbreuk op het verbod van winkelopenstelling op zondag doet om het wettelijk verbod niet uit te hollen? Kunt u aangeven hoe de gemeente Zoetermeer gekozen heeft voor een zo beperkt mogelijke inbreuk op dit wettelijk verbod en het uitzonderingskarakter van de toerismebepaling heeft laten meewegen?
- Bent u van mening dat de toeristische aantrekkingskracht, waar de gemeente Zoetermeer zich op beroept, geldt voor de gehele gemeente? Ligt het niet in de aard van de Winkeltijdenwet dat winkelopening als gevolg van autonoom toerisme ook binnen het toeristisch gebied moet begeven en dat er in ieder geval ook een aantoonbaar verband moet zijn tussen het in een gemeente voorkomende toerisme en de openstelling van winkels als ondersteuning van dat toerisme? Bent u met ons van mening dat artikel 3 van de Winkeltijdenwet dit verband uitdrukkelijk vraagt, gezien het feit dat de vrijstelling of ontheffing gegeven kan worden ‘ten behoeve van' het reeds bestaande toerisme?
- Bent u met ons van mening dat de in het kader van het door de gemeente Zoetermeer uitgevoerde onderzoek gehanteerde vraagstelling of winkeliers zelf mogen beslissen om open te gaan op zondag enigszins misleidend is, aangezien geen enkele ondernemer verplicht wil worden om open te gaan? Geeft het onderzoek wel een eerlijk beeld over het draagvlak onder ondernemers in de gehele gemeente voor het vrijgeven van 52 koopzondagen per jaar?
- Op welke wijze is door de gemeente Zoetermeer voldaan aan de voorwaarde in de wet dat het belang van werknemers en winkeliers met weinig of geen personeel om niet op zondag te hoeven werken (artikel 6 onder c Wtw en de parlementaire geschiedenis, zie Memorie van antwoord, Kamerstukken I 2009-2010, 31728, C, p. 19), moet worden meegewogen?

